Door dividenduitkering na verkoop landgoed ontbraken financiële middelen tot herinvesteren

maart 2018

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de HIR terecht tot de winst heeft gerekend. X bv maakt namelijk niet aannemelijk dat zij over een herinvesteringsvoornemen beschikte.

Belanghebbende, X bv, exploiteert een landgoed. Het landgoed wordt in 2007 verkocht en in 2008 geleverd. De bij de verkoop gerealiseerde boekwinst van € 2,5 mln wordt gedoteerd aan een HIR. In maart 2008 wordt overeenstemming bereikt over de verkoop van de aandelen X bv aan B bv en wordt een dividend van € 2,1 mln aan de aandeelhouders van X bv uitgekeerd. Later dat jaar koopt B bv bedrijfsruimten en worden de aandelen X bv aan B bv geleverd. Ten slotte levert B bv de bedrijfspanden aan X bv. Naar aanleiding van een boekenonderzoek legt de inspecteur een VPB-navorderingsaanslag op aan X bv. Hij laat hierbij de HIR vrijvallen. Volgens de inspecteur beschikten de bestuurders van X bv na de vervreemding van het landgoed namelijk niet meer over een herinvesteringsvoornemen. Hij stelt daarbij dat de aandelen in X bv alleen nog maar werden aangehouden om investeringsplannen van een derde te kunnen uitvoeren.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de HIR terecht tot de winst heeft gerekend. Volgens de rechtbank maakt X bv namelijk niet aannemelijk dat zij over een herinvesteringsvoornemen beschikte. De rechtbank wijst er daarbij op dat reeds in maart 2008 met B bv overeenstemming was bereikt over de aandelenoverdracht, en dat in diezelfde maand de opbrengst van de verkoop van het landgoed via een dividenduitkering aan X bv is onttrokken. Volgens de rechtbank ontbrak het X bv dan ook aan de financiële middelen om tot herinvesteren over te gaan. Het gelijk is aan de inspecteur.

Aan de inhoud van dit Belastingnieuws wordt de uiterste zorg besteed. Wij aanvaarden echter geen enkele aansprakelijkheid voor de onvolledigheid of onjuistheid of de gevolgen daarvan.

Met vriendelijke groet,

H.A. van Duuren