Geen IB-onderneming bij structureel negatieve omzetten

mei 2017

In de uitspraak van Hof Den Haag van 19 april 2017, staat centraal of een vrouw in 2012 een onderneming drijft. In de periode 2009 tot en met 2014 heeft mevrouw X met haar activiteiten, bestaande uit coaching, therapie en loopbaanbegeleiding, een negatief resultaat behaald. In geschil is of de Inspecteur bij de aanslagregeling IB/PVV 2012 terecht het standpunt heeft ingenomen dat de activiteiten geen bron van inkomen vormen

Of iemand een onderneming drijft wordt beoordeeld aan de hand van de vraag of de betreffende werkzaamheden kwalificeren als een bron van inkomen. Volgens vaste jurisprudentie moet voor een bron van inkomen worden voldaan aan drie voorwaarden:

 

  1. deelname aan het economische verkeer;

  2. het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen;

  3. de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs – in de toekomst – kan worden behaald.

De feiten

In haar aangifte IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2012 geeft mevrouw X een verlies uit onderneming aan van circa € 9.000. Ze ontplooide sinds 2009 activiteiten als life coach, therapeut en loopbaanadviseur. Bij de Belastingdienst is de vrouw geregistreerd als ondernemer voor de omzetbelasting en doet in die hoedanigheid periodiek aangifte. In 2012 heeft ze in totaal 82 uren voor haar werkzaamheden gefactureerd. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de activiteiten van de vrouw niet kwalificeren als bron van inkomen.

Oordeel Hof

Hof Den Haag overweegt dat de vrouw met haar activiteiten deelneemt aan het economische verkeer en dat zij tevens beoogt daarmee winsten te behalen. Dat ze in de opbouwfase veel tijd heeft gestoken in de ontwikkeling van haar professionele vaardigheden, het creëren en onderhouden van een netwerk, het ontwikkelen en operationeel houden van een website en andere niet-declarabele activiteiten, waardoor de kosten telkens de opbrengst overtroffen, doet daar niet aan af. Het gaat om de vraag of mevrouw X met haar activiteiten ook daadwerkelijk een voordeel kon verwachten (hierna: de objectieve voordeelsverwachting). Die vraag moet in beginsel worden beantwoord op basis van de feiten en omstandigheden in het jaar 2012. Echter, op basis van jurisprudentie (Hoge Raad, 15 juni 2012) geldt dat feiten en omstandigheden van andere jaren licht kunnen werpen op het antwoord op de vraag of in 2012 sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en daarom mogen die bij de beantwoording van de vraag mede in aanmerking worden genomen. Mevrouw X stelt zich op het standpunt dat in 2015 een positief resultaat is behaald en dat in 2016 ook een positief resultaat valt te verwachten.

De inspecteur meent dat van een positief resultaat slechts sprake is indien daartoe de door vrouw eind 2014 en begin 2015 voor een derde verrichte secretariële werkzaamheden tot de oorspronkelijke activiteiten worden gerekend. Het hof acht aannemelijk dat deze werkzaamheden niet tot de oorspronkelijke activiteiten behoren. De inkomsten die uit deze werkzaamheden zijn genoten, worden derhalve niet als opbrengst van de oorspronkelijke activiteiten aangemerkt. Zonder de inkomsten uit de secretariële werkzaamheden mee te rekenen, behaalde de vrouw in 2015 een negatief resultaat.

De verwachting van mevrouw X dat in 2016 een positief resultaat zal worden behaald, is niet met feiten onderbouwd. Gelet op de negatieve resultaten uit de jaren 2009 tot en met 2014 is het onvoldoende om aannemelijk te achten dat in 2012 redelijkerwijs kon worden verwacht dat met de activiteiten in latere jaren positieve resultaten zouden worden behaald. Het Hof oordeelt dat de activiteiten geen bron van inkomen en derhalve geen onderneming opleveren. Het verlies dat in de aangifte 2012 is geclaimd, is derhalve niet aftrekbaar.

Relevantie voor de praktijk

Deze uitspraak maakt duidelijk dat een onderneming niet snel aanwezig wordt geacht indien de activiteiten gedurende een reeks van jaren negatieve resultaten opleveren. Een belastingplichtige die een ondernemingsverlies in de aangifte claimt zal zich hiervan bewust moeten zijn. Het lijkt erop dat een belastingplichtige nog wel een laatste redmiddel heeft, namelijk indien aangetoond kan worden dat een positief resultaat redelijkerwijs verwacht wordt in de (nabije) toekomst.

Aan de inhoud van dit nieuwsbericht wordt de uiterste zorg besteed. Wij aanvaarden echter geen enkele aansprakelijkheid voor de onvolledigheid of onjuistheid of de gevolgen daarvan.

Met vriendelijke groet,
H.A. van Duuren