Apeldoorn, maart 2006
De herinvesteringreserve
Als een onderneming of een BV een boekwinst behaalt bij de verkoop van een van zijn bedrijfsmiddelen, kan onder voorwaarden een herinvesteringreserve worden gevormd. Daarbij wordt de belastingheffing over de boekwinst uitgesteld. De reserve wordt afgeboekt op het moment dat er een vervangend bedrijfsmiddel wordt aangeschaft of voortgebracht. Indien het bedrijfsmiddel een duurzaam bedrijfsmiddel is dat niet of in meer dan tien jaar pleegt te worden afgeschreven - zoals vastgoed - moet het vervangende bedrijfsmiddel aldus de wet eenzelfde economische functie hebben binnen de onderneming.
Het vervangingsvereiste, de eis dat het vervreemde en vervangende bedrijfsmiddel eenzelfde economische functie vervullen binnen de onderneming, bestond ook al vóór de herziening van de inkomstenbelastingwet in 2001 in de toenmalige vervangingsreserveregeling. Onderstaande zaak betreft nog de toepassing van de vervangingsreserve, maar het oordeel van de Hoge Raad blijft in de huidige regeling met betrekking tot onroerende zaken evenzeer van belang.
Hebben bedrijfsunits eenzelfde economische functie als verhuurde woningen?
Het gaat in het arrest om de volgende situatie. Een BV houdt zich bezig met de verhuur van onroerende zaken. In 1997 bezat de BV een pand dat was gesplitst in twee appartementsrechten, een dubbele benedenwoning en een dubbele bovenwoning. De dubbele benedenwoning werd verhuurd aan de directrice en aandeelhoudster van de BV; de dubbele bovenwoning werd verhuurd aan derden. Ultimo 1997 worden beide gedeelten van de woning verkocht en voor de daarbij behaalde boekwinst vormt de BV een vervangingsreserve. De BV boekt deze vervangingsreserve eerst gedeeltelijk af bij de aankoop van een nieuw woonhuis bestemd voor verhuur aan de directrice en aandeelhoudster. Daarna investeert de BV in vijf nog te bouwen zogenoemde bedrijfsunits, welke merendeels zijn bestemd om casco te worden verhuurd aan bedrijven. De inspecteur staat afboeking van de vervangingsreserve ten aanzien van de bedrijfsunits echter niet toe. Hij betwist dat deze bedrijfsunits voldoen aan het vereiste, dat zij economisch dezelfde plaats innemen in de onderneming van de BV als het per ultimo 1997 verkochte pand. De BV gaat hiertegen in beroep en de zaak kwam voor het Gerechtshof te Amsterdam.
Hof Amsterdam komt tot de conclusie dat de verschillen tussen de bedrijfsunits enerzijds en het pand anderzijds van zodanig gewicht zijn, dat niet kan worden gezegd dat zij eenzelfde economische functie vervullen in de onderneming van de BV. Het Hof baseert dit oordeel onder meer op het verschil in aard en opbrengst tussen de het pand en de bedrijfsunits. Het pand was bestemd voor verhuur aan particulieren en de bedrijfsunits voor verhuur aan ondernemingen en de jaarlijkse huuropbrengst van de bedrijfsunits is vele malen hoger dan de jaarlijkse huuropbrengst van het pand.
Daarnaast constateert het Hof verschillen in de economische levensduur, de grootte van het leegstandrisico, de toepasselijke huurbeschermingsregels en het profiel van onderhoudskosten. Het Hof oordeelt daarom dat de vervangingsreserve niet kan worden afgeboekt van de stichtingskosten van de bedrijfsunits.
De Hoge Raad is het niet eens met dit oordeel van het Hof. Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt, moet met betrekking tot het begrip vervanging een ruim standpunt worden ingenomen. Gelet op het doel van de onderneming, namelijk het verkrijgen van opbrengst uit het verhuren van onroerende zaken, moet worden geconcludeerd dat het pand en de bedrijfsunits dezelfde economische functie vervullen voor de BV. De door het Hof vermelde verschillen doen daaraan niet af, aldus de Hoge Raad.
De Hoge Raad stelt hiermee de BV alsnog in het gelijk en oordeelt dat de vervangingsreserve mag worden toegepast op de investering in de bedrijfsunits, omdat deze in de onderneming van de BV eenzelfde economische plaats innemen als het eerder verkochte pand, namelijk vervanging van beleggingspanden. Voor de huidige regeling voor de herinvesteringreserve is het van groot belang dat de Hoge Raad met dit arrest heeft bevestigd dat het begrip vervanging, ofwel ‘eenzelfde economische functie vervullen’ ruim moet worden uitgelegd. Hierdoor zal een herinvesteringreserve die is gevormd voor de boekwinst bij verkoop van een bedrijfsmiddel waarop niet of in meer dan tien jaar pleegt te worden afgeschreven (onroerende zaak) sneller kunnen worden aangewend bij nieuwe investeringen in onroerende zaken.
Bron: Hoge Raad, 10-03-2006, nr. 41.465, LJN: AU8196.
Met vriendelijke groet,
* Aan de inhoud van dit Belastingnieuws wordt de uiterste zorg besteed. Wij aanvaarden echter geen enkele aansprakelijkheid voor de onvolledigheid of onjuistheid of de gevolgen daarvan.
|
Vorig Artikel
|
Volgend Artikel
|