Apeldoorn, mei 2007
Een thuiswerker is iemand die zijn werk niet verricht in het bedrijf van de werkgever, maar thuis of op een andere plaats. De Wet op de loonbelasting bevat criteria volgens welke de arbeidsverhouding van een thuiswerker (en zijn hulpen) toch als een fictieve dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dat is het geval als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1. de arbeid wordt persoonlijk verricht;
2. het bruto-inkomen voor de arbeid bedraagt doorgaans over een maand ten minste 2/5 van het wettelijk minimumloon per maand. Het minimumloon is het loon in de zin van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Op grond van deze wet geldt voor werknemers jonger dan 23 jaar een lager wettelijk minimumloon dan voor andere werknemers. Als het loon niet afhankelijk is gesteld van de leeftijd, dan moet voor de 2/5-grens worden gekeken naar het minimumloon voor werknemers van 23 jaar of ouder;
3. de arbeidsverhouding is aangegaan voor onbepaalde tijd of voor ten minste één maand. Hierbij kan het ook gaan om twee arbeidsverhoudingen met dezelfde opdrachtgever die elkaar binnen een maand opvolgen en die samen ten minste een maand duren. Een maand is voor deze regeling een aaneengesloten tijdvak van dertig dagen.
De regels voor thuiswerkers gelden niet als de thuiswerker en zijn hulpen tot bepaalde groepen werkenden behoren, onder meer omdat voor die groepen reeds een dienstbetrekking wordt aangenomen of juist geen dienstbetrekking aanwezig is. Het gaat daarbij om de volgende groepen:
1. zelfstandig ondernemers;
2. degenen die arbeid verrichten in de persoonlijke of huishoudelijke sfeer van de opdrachtgever;
3. degenen van wie de arbeidsverhouding in overwegende mate wordt beheerst door een familieverhouding;
4. degenen die al in fictieve dienstbetrekking zijn als aannemers van werk of hun hulpen, agenten, subagenten, artiesten, A-topsporters, bestuurders van een coöperatie met werknemerszelfbestuur, commissarissen, leerlingen, stagiairs, meewerkende kinderen of uitzendkrachten;
5. degenen die arbeid van overwegend geestelijke aard verrichten, bijvoorbeeld geestelijk verzorgers;
6. auteurs of redactiemedewerkers die niet bij wijze van beroep werkzaam zijn voor een uitgever;
7. degenen die zich doorgaans laten bijstaan door meer dan twee hulpen die niet hun echtgenoot of tot hun huishouden behorende minderjarige kinderen zijn.
Of een thuiswerker en zijn hulpen bij een opdrachtgever in fictieve dienstbetrekking zijn, moet worden beoordeeld aan de hand van verwachtingen bij de aanvang van de arbeidsverhouding.
De arbeidsverhouding van een thuiswerker mag echter niet de drie elementen van een dienstbetrekking bevatten: het persoonlijk verrichten van arbeid, de aanwezigheid van een gezagsverhouding en de uitbetaling van loon. Dit blijkt weer eens uit een uitspraak van Centrale Raad van Beroep over ‘fictieve thuiswerkers’.
De procedure betrof een bedrijf dat zich bezighield met de opslag van goederen en de verpakking daarvan zoals sealen en stickeren.
Deze werkzaamheden werden deels uitbesteed aan thuiswerkers. In de praktijk kwam het voor dat ook thuiswerkers hun werkzaamheden verrichtten op het bedrijfsadres. Deze medewerkers werden ‘fictieve thuiswerkers’ genoemd. Het bedrijf droeg over de betalingen over het jaar 2003 aan de (fictieve) thuiswerkers geen premies werknemersverzekeringen af. Bij het bedrijf vond in 2003 een controleonderzoek plaats. De looninspecteur was op basis van de bevindingen tijdens het onderzoek van mening, dat de betalingen aan de fictieve thuiswerkers loonbetalingen waren. De fictieve thuiswerkers verrichtten hun werkzaamheden persoonlijk en in opdracht en op aanwijzingen van het bedrijf en tegen een reele arbeidsbeloning. Het bedrijf ontving vervolgens een premienota.
Het bedrijf maakte daartegen bezwaar, omdat de fictieve thuiswerkers niet tot haar in dienstbetrekking zouden staan.
Rechtbank Rotterdam stelde het bedrijf echter in het ongelijk.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Deze was van oordeel dat de fictieve thuiswerkers in feite oproepkrachten waren, die hun werkzaamheden in (privaatrechtelijke) dienstbetrekking verrichtten. Telkens als een fictieve thuiswerker aan een oproep gehoor gaf, was deze verplicht de werkzaamheden persoonlijk te verrichten onder het gezag van het bedrijf. Nu de fictieve thuiswerkers ook voor hun werkzaamheden werden betaald, bevatten deze arbeidsverhoudingen de drie elementen van een dienstbetrekking. Uit de uitspraak van de Centrale Raad blijkt overigens dat het bedrijf geen sociale verzekeringspremies was verschuldigd over betalingen aan de echte thuiswerkers, die hetzelfde werk thuis verrichtten.
Wij hopen u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd en zijn tot het geven van nadere toelichting gaarne bereid.
Met vriendelijke groet,
* Aan de inhoud van dit Belastingnieuws wordt de uiterste zorg besteed. Wij aanvaarden echter geen enkele aansprakelijkheid voor de onvolledigheid of onjuistheid of de gevolgen daarvan.
|
Vorig Artikel
|