Apeldoorn, december 2007
Naar aanleiding van menig verzoek, doen wij de fiscale status uit de doeken betreffende de werkkamerregeling. Sinds 1 januari 2005 is de werkkamerregeling in werking. Een regeling die een einde beoogt te maken aan de brij van complexe regelingen. Een die uitgaat van een uniforme definitie die geen onderscheid meer maakt tussen ondernemers, werknemers en directeur-groot-aandeelhouders. De regeling is er verder op gericht de werkruimte zoveel mogelijk deel van de eigen woning te laten uitmaken. Van een eechtef werkruimte is onder deze regeling niet snel meer sprake.
Nieuwe definitie
De werkkamerregeling maakt namelijk onderscheid tussen de onzelfstandige werkruimte (die fiscaal gezien eigenlijk geen werkruimte is) en de zelfstandige werkruimte. Een werkruimte is pas zelfstandig als deze aan twee eisen voldoet. Allereerst onderscheidt de ruimte zich duidelijk door uiterlijke kenmerken van de rest van de woning. Dit bouwkundige criterium brengt onder meer met zich mee dat de ruimte over een eigen op- of ingang beschikt en eigen sanitaire voorzieningen heeft. Ontbreekt een eigen ingang, dan is van een echte werkruimte al geen sprake meer. De tweede voorwaarde wordt ook wel het inkomenscriterium genoemd. Er moet vanuit de werkruimte een belangrijk deel van het inkomen of de winst worden verdiend. De definitie zorgt ervoor dat veel ruimtes die voorheen nog als werkkamer of werkruimte aanduidden, dat fiscaal gezien niet meer zijn.
Onzelfstandige werkruimte
Belangrijkste gevolg van deze regeling is dat de werkruimte die niet onder de definitie valt, onderdeel gaat uitmaken van de eigen woning. Ook voor dit deel van de woning moet het eigenwoningforfait bij het inkomen worden geteld en, belangrijker, is de hypotheekrente aftrekbaar. De keerzijde is dat de ondernemer geen aftrekmogelijkheden meer heeft in de winstsfeer. Kosten voor een onzelfstandige werkkamer zijn niet aftrekbaar. Voor de directeur-grootaandeelhouders van een BV met een werkkamer ligt het anders. Weliswaar valt de onzelfstandige werkruimte van de directeur-grootaandeelhouder ook onder het eigenwoningforfait, maar een eventuele door de BV betaalde (gebruiks)vergoeding moet tot het loon van de directeur-grootaandeelhouder worden gerekend. Een ongewenste situatie, die ervoor zorgt dat veel directeur-grootaandeelhouders van een gebruiksvergoeding afzien.
Zelfstandige werkruimte
Beschikt men wel over een echte werkruimte, dan zijn de fiscale gevolgen vaak ingewikkelder. De werkruimte valt buiten de eigenwoningregeling, waardoor de (hypotheek)rente niet aftrekbaar is. De werkruimte met het hieraan toe te rekenen deel van de hypotheek verhuist in de regel naar box 3. Als ondernemer heeft men dan weliswaar recht op aftrek van bepaalde werkkamerkosten, maar deze aftrek is beperkt tot het bedrag van de verschuldigde belasting in box 3. Ook voor de echte werkruimte geldt, dat de directeur-grootaandeelhouder een afwijkende positie inneemt. De werkruimte valt voor hem onder het eresultaat uit overige werk-zaamhedenf. In dit geval vanwege de terbeschikkingstelling van de werkruimte aan de BV. Dit is ook het geval als de directeur-grootaandeelhouder geen (gebruiks)vergoeding ontvangt van zijn BV. Wordt wel een vergoeding bedongen, dan is deze als resultaat (progressief) belast in box 1 en aftrekbaar bij de BV. Belangrijk gevolg: ook de waardestijging van de werkruimte valt binnen het resultaat. Voor de rente geldt dat deze binnen de resultaatsfeer aftrekbaar is.
Wij hopen u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd en zijn tot het geven van nadere toelichting gaarne bereid.
Met vriendelijke groet,
* Aan de inhoud van dit Belastingnieuws wordt de uiterste zorg besteed. Wij aanvaarden echter geen enkele aansprakelijkheid voor de onvolledigheid of onjuistheid of de gevolgen daarvan.
|
Vorig Artikel
|
Volgend Artikel
|