Apeldoorn, maart 2005
Belastingschulden worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de rendementsgrondslag in box 3. In een aantal gevallen kan belastingplichtige de eventueel nadelige gevolgen van deze bepaling voorkomen door tijdig een verzoek om een (nadere) voorlopige aanslag bij de inspecteur in te dienen en vervolgens de naar aanleiding van dit verzoek opgelegde voorlopige aanslag voor de relevante peildatum van box 3 te betalen.
Indien de belastingplichtige vóór 1 oktober een schriftelijk verzoek doet om een (nadere) voorlopige aanslag, kan hij er redelijkerwijs van uitgaan dat de gevraagde voorlopige aanslag nog in het lopende kalenderjaar wordt opgelegd. Hierdoor kan, uiteraard met inachtneming van tijdige betaling, een eventueel belastingnadeel als hiervoor bedoeld worden voorkomen.
Indien de besluitvorming door de inspecteur meer tijd heeft gevergd, dan gebruikelijk is en de belastingplichtige hiervan geen verwijt kan worden gemaakt, bestaat aanleiding om uit coulance-overwegingen de belastingplichtige tegemoet te komen. Omwille van de uitvoerbaarheid heeft men besloten deze tegemoetkoming de vorm te geven van een fiscale goedkeuring. De goedkeuring ziet op de situatie, dat een belastingplichtige tijdig – dat wil zeggen vóór 1 oktober¹ van het desbetreffende kalenderjaar – schriftelijk om een (nadere) voorlopige aanslag heeft verzocht, doch de inspecteur daaraan geen gevolg heeft gegeven, althans niet op een zodanig tijdstip, dat belastingplichtige redelijkerwijs nog voor de peildatum van box 3 kan betalen.
Voor een situatie, zoals hierboven omschreven, keurt men goed, dat de desbetreffende belastingschuld reeds per 31 december¹ van dat jaar als betaald kan worden beschouwd bij de berekening van de rendementsgrondslag in box 3, zodat dit bedrag in mindering komt op de bezittingen. Het in mindering te brengen bedrag is gebaseerd op de – volgens het verzoek op te leggen, doch achterwege gebleven – (nadere) voorlopige aanslag, dit evenwel tot ten hoogste het bedrag dat uiteindelijk op aanslag is verschuldigd en binnen de betalingstermijn is betaald.
De tegemoetkoming kan worden geëffectueerd door bij de aangifte het bedrag van één of meer van de (niet vrijgestelde) bezittingen te verlagen waardoor wordt bereikt, dat het totaal van de bezittingen wordt verlaagd met vorenbedoeld in mindering te brengen bedrag. De verlaging mag er niet toe leiden dat één van de bezittingen of het totaal van de bezittingen op een negatief bedrag uitkomt.
Als de aanslag inkomstenbelasting over het desbetreffende jaar reeds is opgelegd, kan de tegemoetkoming ook op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige worden geëffectueerd door een vermindering van de aanslag. Indien een dergelijke situatie zich heeft voorgedaan, heeft het de instemming dat het besluit wordt toegepast vanaf het belastingjaar 2001.
Wij hopen u hiermede voldoende te hebben geinformeerd en zijn tot het geven van nadere toelichting gaarne bereid.
Met vriendelijke groet,
¹) In de situatie dat de peildatum van de vermogensrendementsheffing valt in de loop van het kalenderjaar (overlijden/emigratie), geldt de goedkeuring eveneens indien het verzoek om een voorlopige aanslag is ingediend uiterlijk drie maanden vóór die peildatum.
* Aan de inhoud van dit Belastingnieuws wordt de uiterste zorg besteed. Wij aanvaarden echter geen enkele aansprakelijkheid voor de onvolledigheid of onjuistheid of de gevolgen daarvan.
|
Vorig Artikel
|
Volgend Artikel
|