Toevoeging oudedagsreserve mogelijk door risicoreserve

november 2017

De toevoeging aan de oudedagsreserve wordt mede bepaald door de hoogte van het ondernemingsvermogen. Tot dit ondernemingsvermogen worden niet liquide middelen gerekend die duurzaam overtollig zijn.

In een zaak bij Rechtbank Gelderland ging het om een advocaat die in 2013 ongeveer € 390.000,-- aan liquide middelen aanhield in zijn onderneming, gedreven in de vorm van een eenmanszaak. Hierdoor was zijn ondernemingsvermogen hoog genoeg om dat jaar het maximale bedrag aan de oudedagsreserve toe te voegen. De Belastingdienst stelde zich op het standpunt dat € 50.000,-- aan liquide middelen in de onderneming voldoende was en corrigeerde het ondernemingsvermogen. Volgens de Belastingdienst was een groot deel van de liquide middelen duurzaam overtollig. Door deze correctie kon geen toevoeging aan de oudedagsreserve plaatsvinden en werd de belastbare winst van de advocaat verhoogd.

In de overweging stelde de rechtbank voorop dat een ondernemer de keuze heeft om liquide middelen tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, zolang hij daarbij binnen de grenzen van de redelijkheid blijft. De rechtbank volgde niet het standpunt van de advocaat, dat liquide middelen die zijn opgekomen binnen de onderneming in ieder geval tot het ondernemingsvermogen behoren. Een ondernemer mag de liquide middelen die nodig zijn voor de financiering van lopende bedrijfsuitgaven en voor te verwachten investeringen tot zijn ondernemingsvermogen rekenen. Verder mag hij ook de liquide middelen aanhouden die dienen tot dekking van risico’s en opbouw en instandhouding van reserves, kortom het versterken van een onderneming. De hoogte van de aan te houden liquide middelen wordt bepaald door de aard en de omvang van een onderneming.

Bij het bepalen van de hoogte van de aan te houden liquide middelen had de Belastingdienst geen rekening gehouden met liquide middelen voor het dekken van risico’s. Naar het oordeel van de rechtbank was daar wel aanleiding toe. Anderzijds vond de rechtbank dat de post liquide middelen op de balans van ongeveer € 390.000,-- te hoog was, gelet op de aard en de omvang van de onderneming. In dit geval stelde de rechtbank het deel van de liquide middelen dat tot het ondernemingsvermogen wordt gerekend, vast op € 175.000,--. Hierdoor was de toevoeging van de oudedagsreserve die geclaimd was, mogelijk.

In deze uitspraak heeft de rechtbank voor een middenweg gekozen, waarbij correctie van het ondernemingsvermogen plaatsvond, maar de toevoeging aan de oudedagsreserve gehandhaafd bleef.

Aan de inhoud van dit Belastingnieuws wordt de uiterste zorg besteed. Wij aanvaarden echter geen enkele aansprakelijkheid voor de onvolledigheid of onjuistheid of de gevolgen daarvan.

Met vriendelijke groet,

H.A. van Duuren